tel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel
Woordherkomst en -opbouw
[1, 2] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tellen
verkleinwoord telletje telletjes
[3] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tel m

  1. zeer korte tijdsduur.
  2. seconde
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) ruïneheuvel, gevormd door opeenvolgende lagen van bewoning
Verwijzingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tellen

tel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    Ik tel.
  2. gebiedende wijs van tellen
    Tel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    Tel je?