stroop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Suikerstroop in fles

Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
  • stroop
enkelvoud meervoud
naamwoord stroop stropen
verkleinwoord stroopje stroopjes

Zelfstandig naamwoord

stroop

  1. v/m (voeding) een dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
    Een boterham met stroop.
  2. m het stropen van wild
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iemand stroop om de mond smeren
iemand overdreven vleien
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
stropen

stroop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stropen
    Ik stroop.
  2. gebiedende wijs van stropen
    Stroop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stropen
    Stroop je?