zeem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een zeem.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeem
m en o enkelvoud meervoud
naamwoord zeem zemen
verkleinwoord zeempje zeempjes
o enkelvoud meervoud
naamwoord zeem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zeem

  1. m en o een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven.
    Ik zal die zeem even uitwringen.
  2. o zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid.
    Zeem heeft heel handige eigenschappen voor huishouders.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
zemen

zeem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
    Ik zeem.
  2. gebiedende wijs van zemen
    Zeem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
    Zeem je?


Limburgs

Zelfstandig naamwoord

zeem

  1. (Hooglimburgs) stroop