zeem
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /zem/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /zem/
Woordafbreking
- zeem
| m en o | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | zeem | zemen |
| verkleinwoord | zeempje | zeempjes |
| o | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | zeem | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
zeem
- m en o een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven.
- Ik zal die zeem even uitwringen.
- o zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid.
- Zeem heeft heel handige eigenschappen voor huishouders.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zemen |
zeem
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
- Ik zeem.
- gebiedende wijs van zemen
- Zeem!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
- Zeem je?
Limburgs
Zelfstandig naamwoord
zeem