prik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- prik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | prik | prikken |
| verkleinwoord | prikje | prikjes |
Zelfstandig naamwoord
- doorboring van een vlies (meestal de huid) met een scherp (meest naaldvormig) voorwerp
- Au! Die doren gaf me een akelige prik!
- injectie
- Hij heeft nog geen prik gehad voor die ziekte.
- de prikkelende actie van opborrelend koolzuurgas in een limonade
- Wil je limonade met of zonder prik?
- een primitief langgerekt visachtig dier van de familie der Petromyzontidae
, ongewerveld maar wel behorend tot de Chordaten
Synoniemen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| prikken |
prik
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
- Ik prik.
- gebiedende wijs van prikken
- Prik!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prikken
- Prik je?
Deens
Uitspraak
- IPA: /pʰʁ̥æɡ̊/
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Middelnederduitse pricke (prik).
Zelfstandig naamwoord
prik