standaard
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stan·daard
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | standaard | standaarden standaards |
| verkleinwoord | standaardje | standaardjes |
Zelfstandig naamwoord
standaard m
- datgene waaraan vergelijkbare zaken afgemeten worden
- In het verleden was soms de lengte van 's konings voet de standaard van lengte.
- steun, stut, datgene wat iets staande houdt
- Hij zette zijn fiets op de standaard.
- herkeningsvlag, onderscheidingsvlag
- Tijdens het koninklijke bezoek werd de koninklijke standaard geheven.