smeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sme·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| smeren |
smeerde |
gesmeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
smeren
- (overgankelijk) met een zachte massa bestrijken
- De boterhammen moeten nog gesmeerd worden.
- (overgankelijk) de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet
- Ik moet dat scharnier eens smeren, want het piept.
- proberen om te kopen
- Dat geld was bedoeld voor het smeren van de onderhandelaars.
- (ergatief) 'm ~ snel weggaan, wegvluchten
- De dief was 'm gesmeerd.