smeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sme·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smeren
smeerde
gesmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

smeren

  1. (overgankelijk) met een zachte massa bestrijken
    De boterhammen moeten nog gesmeerd worden.
  2. (overgankelijk) (werktuigbouwkunde) de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet
    Ik moet dat scharnier eens smeren, want het piept.
  3. (politiek) omkopen, (met geld) corrumperen
    Dat geld was bedoeld voor het smeren van de onderhandelaars.
  4. (ergatief) 'm ~ snel weggaan, wegvluchten
    De dief was 'm gesmeerd.
Verwante begrippen

invetten, kladden

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl