kladden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klad·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kladden
kladde
geklad
zwak -d volledig

Werkwoord

kladden

  1. (inergatief) knoeien, vlekken maken
    Ik zit een beetje te kladden.
enkelvoud meervoud
naamwoord - kladden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kladden mv

  1. bij de ~ nemen/grijpen/pakken/vatten vastgrijpen, aanpakken
    De dief werd al snel bij de kladden gegrepen.