slikken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- slik·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| slikken /'slɪkən/ |
slikte /'slɪktə/ |
geslikt /ɣə'slɪkt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
slikken
- (overgankelijk) de mondinhoud de slokdarm doen afdalen
- Hij slikte veel vitaminetabletten.
- (overgankelijk) overdrachtelijk: iets lijdzaam aanvaarden
- Hij heeft deze vernedering zonder meer geslikt.
Synoniemen
- [2] aanvaarden, accepteren, berusten, pikken
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
slikken mv