berusten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·rus·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| berusten |
berustte |
berust |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
berusten
- (inergatief) zonder verzet aanvaarden
- Hij berustte in zijn lot.
- (inergatief) langdurig ergens ondergebracht zijn
- Het recht om daarover te beslissen berust bij de raad.
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
- [1] opgeven, pikken, slikken, zich schikken
- [2] beheren
Antoniemen
Typische woordcombinaties
- [1]: ergens in berusten
iets opgeven/zich erbij neerleggen
- [2]: in berusting bij ...
in bewaring/onder beheer van ...
- [2]: de verantwoordelijkheid berust bij ...