sleep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleep
enkelvoud meervoud
naamwoord sleep slepen
verkleinwoord sleepje sleepjes

Zelfstandig naamwoord

sleep m

  1. (verkeer), (scheepvaart) datgene wat gesleept wordt
    Hij had een sleepje om naar de garage te brengen.
  2. (kleding) een lange voortzetting van een jurk of rok die over de grond sleept
    Haar bruidsjurk had een lange kanten sleep.

Werkwoord

vervoeging van
slepen

sleep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
    Ik sleep.
  2. gebiedende wijs van slepen
    Sleep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
    Sleep je?

Werkwoord

vervoeging van
slijpen

sleep

  1. enkelvoud verleden tijd van slijpen
    Ik sleep.
    Jij sleep.
    Hij, zij, het sleep.


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to sleep
he/she/it sleeps
verleden tijd slept
voltooid
deelwoord
slept
onvoltooid
deelwoord
sleeping
gebiedende wijs sleep

Werkwoord

sleep

  1. slapen