sleep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sleep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | sleep | slepen |
| verkleinwoord | sleepje | sleepjes |
Zelfstandig naamwoord
sleep m
- (verkeer), (scheepvaart) datgene wat gesleept wordt
- Hij had een sleepje om naar de garage te brengen.
- (kleding) een lange voortzetting van een jurk of rok die over de grond sleept
- Haar bruidsjurk had een lange kanten sleep.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slepen |
sleep
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
- Ik sleep.
- gebiedende wijs van slepen
- Sleep!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slepen
- Sleep je?
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slijpen |
sleep
- enkelvoud verleden tijd van slijpen
- Ik sleep.
- Jij sleep.
- Hij, zij, het sleep.
- Ik sleep.
Engels
Uitspraak
- Geluid: sleep (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /sliːp/
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to sleep |
| he/she/it | sleeps |
| verleden tijd | slept |
| voltooid deelwoord |
slept |
| onvoltooid deelwoord |
sleeping |
| gebiedende wijs | sleep |
Werkwoord
sleep