slepen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| slepen | slepend |
| sleep | gesleept |
Uitspraak
Woordafbreking
- sle·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| slepen |
sleepte |
gesleept |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
slepen
- (overgankelijk) trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
- De panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak.
- (wederkerend) zich ~ moeizaam voortbewegen
- De verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg.
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: iets in de wacht slepen
iets bemachtigen
Vertalingen
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slijpen |
slepen
- meervoud verleden tijd van slijpen
- Wij slepen.
- Jullie slepen.
- Zij slepen.
- Wij slepen.
Zelfstandig naamwoord
slepen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep