slepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slepen slepend
sleep gesleept
Uitspraak
Woordafbreking
  • sle·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slepen
sleepte
gesleept
zwak -t volledig

Werkwoord

slepen

  1. (overgankelijk) trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
    De panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak.
  2. (wederkerend) zich ~ moeizaam voortbewegen
    De verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iets in de wacht slepen
iets bemachtigen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slijpen

slepen

  1. meervoud verleden tijd van slijpen
    Wij slepen.
    Jullie slepen.
    Zij slepen.

Zelfstandig naamwoord

slepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep