schare
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- scha·re
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schare | scharen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- een mensenmenigte
- Er stond een schare supporters voor de deur.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| scharen |
schare
- aanvoegende wijs van scharen
- Dit is het vaandel waarachter men zich schare.