scheren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: scheren (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /sχɪːrə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /sxeːrə(n)/
Woordafbreking
- sche·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheren /'sxɪːrə(n)/ |
schoor /sxɔːr/ |
geschoren /ɣə'sxɔrə(n)/ |
| klasse 2 | volledig | |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheren /'sxɪːrə(n)/ |
scheerde /sxɪːrdə/ |
gescheerd /ɣə'sxɪːrt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
scheren
- (overgankelijk) met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
- Hij schoor de schapen en verzamelde de wol.
- (wederkerend) zich ~: zich de baard kort afsnijden
- (inergatief) rakelings over een oppervlak bewegen
- De zwaluwen scheerden over het water van het meertje.
Afgeleide begrippen
- [3]: afscheren
- [3]: gladscheren
- [3]: kaalscheren
- [3]: wegscheren
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: alles over één kam scheren
alles en iedereen gelijk stellen
- [1]: de schapen scheren
gemakkelijk grote winsten maken
- [1]: zijn schaapjes scheren
er de winst uithalen
Vertalingen
1. met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
2. zich de baard kort afsnijden
alles over één kam scheren
|
Zelfstandig naamwoord
scheren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 2 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Wederkerend werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands