menigte

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·nig·te
enkelvoud meervoud
naamwoord menigte menigten, menigtes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

menigte v

  1. een grote groep mensen dicht op elkaar
    De menigte was op weg van het station naar het stadion.
  2. een grote hoeveelheid
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen