ruitenwisser
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: ruitenwisser (hulp, bestand)
- IPA: /ˈrœytə(n)wɪsər/
Woordafbreking
- rui·ten·wis·ser
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruitenwisser | ruitenwissers |
| verkleinwoord | ruitenwissertje | ruitenwissertjes |
Zelfstandig naamwoord
ruitenwisser m
- een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
- Zet de ruitenwissers even aan, ik zie niets!
- een strook rubber in een houder met handvat dat gebruikt wordt bij het glazenwassen
Vertalingen
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad