ruitenwisser

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
ruitenwisser
ruitenwisser [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rui·ten·wis·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruitenwisser ruitenwissers
verkleinwoord ruitenwissertje ruitenwissertjes

Zelfstandig naamwoord

ruitenwisser m

  1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
    Zet de ruitenwissers even aan, ik zie niets!
  2. een strook rubber in een houder met handvat dat gebruikt wordt bij het glazenwassen
Vertalingen