rubber
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- rub·ber
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rubber | (rubbers) |
| verkleinwoord | rubbertje | rubbertjes |
rubber o
- een uit het sap van de rubberboom vervaardigd elastisch materiaal
- (verkleinwoord) een stukje materiaal uit rubber of een ander elastisch materiaal vervaardigd
- materiaalkunde een klasse gecrosslinkte polymere materialen boven hun glaspunt.
- een condoom
Vertalingen
1.