risico
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ri·si·co
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | risico | risico's |
| verkleinwoord | risicootje | risicootjes |
Zelfstandig naamwoord
- een mogelijk gevaar voor schade
- Het risico dat er wordt ingebroken is gelukkig niet zo groot.