risico

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·si·co
enkelvoud meervoud
naamwoord risico risico's
verkleinwoord risicootje risicootjes

Zelfstandig naamwoord

risico o of m

  1. een mogelijk gevaar voor schade
    Het risico dat er wordt ingebroken is gelukkig niet zo groot.
  2. (economie) de kans op een onvoorziene gebeurtenis waardoor de waarde van financiële goederen wordt onderuitgehaald
    Hoe groot is het financiële risico van een enkele transactie?[1]
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. optie24.nl