risico

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·si·co
enkelvoud meervoud
naamwoord risico risico's
verkleinwoord risicootje risicootjes

Zelfstandig naamwoord

risico o of m

  1. een mogelijk gevaar voor schade
    Het risico dat er wordt ingebroken is gelukkig niet zo groot.
Vertalingen