overlap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·lap
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overlap | overlappen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
óverlap m
- de mate waarin twee lagen iets gezamenlijk bedekken
- Er is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil.
- overdrachtelijk het feit dat iets door meer dan een persoon bestreken wordt
- Er is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg.
- (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal
- Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overlappen |
overláp
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
- Ik overláp.
- gebiedende wijs van overlappen
- Overláp!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
- Overláp je?