overlap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • over·lap
enkelvoud meervoud
naamwoord overlap overlappen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

óverlap m

  1. de mate waarin twee lagen iets gezamenlijk bedekken
    Er is altijd overlap tussen grootzeil en voorzeil.
  2. overdrachtelijk het feit dat iets door meer dan een persoon bestreken wordt
    Er is een halfuurtje overlap tussen de ochtendploeg en de avondploeg.
  3. (wiskunde) ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal \int{f(x).g(x)dx}
    Wanneer de overlap nul is zijn twee functies orthogonaal.

Werkwoord

vervoeging van
overlappen

overláp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    Ik overláp.
  2. gebiedende wijs van overlappen
    Overláp!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
    Overláp je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen