overlappen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·lap·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overlappen |
overlapte |
overlapt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
overláppen
- (overgankelijk) iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken
- Ik overlap de randen van de geverfd[e] strepen aan beide kanten met 1 cm, zodat je de lelijke randen ook niet meer ziet.
- (wederkerig) elkaar ~ gedeeltelijk van twee zijden laagsgewijs bedekken
- In een venndiagram overlappen twee of meer figuren elkaar om de doorsnede van twee verzamelingen aan te geven.
Zelfstandig naamwoord
óverlappen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord overlap