oppakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het werkwoord pakken met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oppakken
pakte op
opgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

oppakken

  1. (overgankelijk) pakken en oprapen
    Hij pakte de krant op en begon erin te lezen.
  2. (overgankelijk) (een idee of voorstel) gaan uitvoeren
    Dit is een heel goed idee, dat zullen we zeker oppakken.
  3. (overgankelijk) iemand gevangen nemen [1]
    Er zijn door het regime van die dictator weer een aantal tegenstanders opgepakt.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. VRTtaal.net: aanhouden / arresteren / oppakken