pakken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pak·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pakken /'pɑkə(n)/ |
pakte /'pɑktə/ |
gepakt /ɣə'pɑkt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
pakken
- (overgankelijk) in de handen nemen
- Hij pakte zijn gitaar en speelde een deuntje.
- (overgankelijk) gevangen nemen
- De dief werd al snel gepakt.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. in de handen nemen
Zelfstandig naamwoord
pakken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pak
Deens
Woordafbreking
- pak·ken
Zelfstandig naamwoord
pakken, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke
Noors
Woordafbreking
- pak·ken
| Naar frequentie | 3822 |
|---|
Zelfstandig naamwoord
pakken, m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke
Schrijfwijzen
Nynorsk
Woordafbreking
- pak·ken
Zelfstandig naamwoord
pakken, m
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van pakke
Schrijfwijzen
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Deens
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nynorsk