nieuw

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieuw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nieuw nieuwer nieuwst
verbogen nieuwe nieuwere nieuwste
partitief nieuws nieuwers -

Bijvoeglijk naamwoord

nieuw

  1. recentelijk gemaakt.
    Dat is het nieuwe huis dat gisteren pas afgerond is.
  2. recentelijk ontdekt.
    Dit is een nieuwe diersoort.
  3. huidige.
    Ik heb een nieuwe fiets, want de vorige is kapot.
  4. onderscheidt nieuwere namen van oudere.
    Nieuw-Amsterdam.
  5. in originele staat, nog niet eerder gebruikt.
    Koop je een nieuwe of een tweedehands?
  6. vreemd, onbekend.
    Dat idee is tamelijk nieuw voor mij.
  7. recentelijk aangekomen of opgedoken.
    Dat is de nieuwe medewerker.
Antoniemen
Vertalingen
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen