medeplichtig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
- samenstelling 'mede' ook en Middelnederlands 'plichtig' schuldig
Uitspraak
- IPA: /ˌmedəˈplɪxtəx/
Uitspraak
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | medeplichtig | medeplichtiger | medeplichtigst |
| verbogen | medeplichtige | medeplichtiger | medeplichtigste |
Woordafbreking
- me·de·plich·tig
Vaste voorzetsels
- medeplichtig zijn aan
Bijvoeglijk naamwoord
medeplichtig
- bewust bijgedragen hebbend tot een bepaalde wandaad.
-
- De aan berovingen medeplichtige man werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenis.
Vertalingen
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad