masker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Pende-masker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mas·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord masker maskers
verkleinwoord maskertje maskertjes

Zelfstandig naamwoord

masker o

  1. een voorwerp geplaatst voor het gelaat dat de indruk wekt van een andere identiteit van de drager
    Dansen met maskers hebben in traditionele culturen vaak een spirituele betekenis.
  2. een voorwerp geplaatst voor het gelaat voor andere redenen, zoals beveiliging of zuurstoftoevoer
    Het dragen van een masker is bij het werken met chemicaliën die kunnen spatten of ontploffen geen luxe.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
maskeren

masker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
    Ik masker.
  2. gebiedende wijs van maskeren
    Masker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
    Masker je?
Verwante begrippen

Meer informatie


Deens

Woordafbreking
  • mas·ker

Werkwoord

masker

  1. tegenwoordige tijd van maske

Zelfstandig naamwoord

masker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van maske