masker
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mas·ker
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | masker | maskers |
| verkleinwoord | maskertje | maskertjes |
Zelfstandig naamwoord
masker o
- een voorwerp geplaatst voor het gelaat dat de indruk wekt van een andere identiteit van de drager
- Dansen met maskers hebben in traditionele culturen vaak een spirituele betekenis.
- een voorwerp geplaatst voor het gelaat voor andere redenen, zoals beveiliging of zuurstoftoevoer
- Het dragen van een masker is bij het werken met chemicaliën die kunnen spatten of ontploffen geen luxe.
Vertalingen
1.
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| maskeren |
masker
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
- Ik masker.
- gebiedende wijs van maskeren
- Masker!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maskeren
- Masker je?
Verwante begrippen
- [1] maskeer
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Deens
Woordafbreking
- mas·ker
Werkwoord
masker
- tegenwoordige tijd van maske
Zelfstandig naamwoord
masker, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van maske