maskeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- mas·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| maskeren |
maskeerde |
gemaskeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
maskéren
- (overgankelijk) de ware aard van iets verhullen
- Sterke kruiden maskeerden de smaak van het halfbedorven vlees.
Antoniemen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| maskeren |
maskerde |
gemaskerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
máskeren
- (wederkerend) zich ~: een masker opzetten.
- Zij maskerden zich voor een gemaskerd bal.