maskeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • mas·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
maskeren
maskeerde
gemaskeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

maskéren

  1. (overgankelijk) de ware aard van iets verhullen
    Sterke kruiden maskeerden de smaak van het halfbedorven vlees.
Antoniemen


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
maskeren
maskerde
gemaskerd
zwak -d volledig

Werkwoord

máskeren

  1. (wederkerend) zich ~: een masker opzetten.
    Zij maskerden zich voor een gemaskerd bal.
Antoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen