lenen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- le·nen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| lenen /ˈlenə(n)/ |
leende /ˈlendə/ |
geleend /ɣəˈlent/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
lenen
- iets tijdelijk gebruiken wat niet van jou is, dikwijl in ruil voor een kleine vergoeding
- Het boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben.
- zich ~ tot/voor; mogelijk maken
- Het weer leent zich vandaag voor een wandeling.
Afgeleide begrippen
- achterleen
- belenen
- bruikleen
- leenheer
- leenman
- leenstelsel
- leenwoord, ontlening
- lening
- onderlenen
- ontlenen
- uitlenen
- verlenen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. iets tijdelijk gebruiken wat niet van jou is, dikwijl in ruil voor een kleine vergoeding
Zelfstandig naamwoord
lenen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leen