lenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lenen
/ˈlenə(n)/
leende
/ˈlendə/
geleend
/ɣəˈlent/
zwak -d volledig

Werkwoord

lenen

  1. iets tijdelijk gebruiken wat niet van jou is, dikwijl in ruil voor een kleine vergoeding
    Het boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben.
  2. zich ~ tot/voor; mogelijk maken
    Het weer leent zich vandaag voor een wandeling.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

lenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leen