overleg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·leg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overleg | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
overleg o
- beraad, beraadslaging
Vertalingen
1. beraad, beraadslaging
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overleggen |
overleg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- Ik overleg.
- gebiedende wijs van overleggen
- Overleg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- Overleg je?
Verwante begrippen
- [1] leg over
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overleggen |
overleg
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overleggen
- ... dat ik overleg.