kraak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kraak
enkelvoud meervoud
naamwoord kraak kraken
verkleinwoord kraakje kraakjes

Zelfstandig naamwoord

kraak v/m

  1. (koppotigen) een zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis, dat ondanks herhaalde waarnemingen door zeelui, door wetenschap en gemeenschap als mythisch werd afgedaan
  2. (koppotigen) Octopus vulgaris, een inktvis zonder inwendig skelet
  3. zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
  4. (scheepvaart) historisch, zeegaand zeilschip, ontwikkeld in de tweede helft van de 15e eeuw, dat veel gemeen heeft met de karveel waaruit hij is ontwikkeld
  5. (scheepvaart) historisch, houten zeilschip uit de 15e-16e eeuw van de binnenwateren
  6. (scheepvaart) historisch, ijzeren schip uit de 19e eeuw van de binnenwateren
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kraken

kraak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kraken
    Ik kraak.
  2. gebiedende wijs van kraken
    Kraak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kraken
    Kraak je?

Meer informatie