klem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem
enkelvoud meervoud
naamwoord klem klemmen
verkleinwoord klemmetje klemmetjes

Zelfstandig naamwoord

klem v/m

  1. (gereedschap) een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
    Als je de twee gelijmde stukken een nachtje in de klem zet, komen ze goed vast te zitten.
Uitdrukkingen en gezegden

Klem zetten.

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klemmen

klem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
    Ik klem.
  2. gebiedende wijs van klemmen
    Klem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
    Klem je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen