integraal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·graal
enkelvoud meervoud
naamwoord integraal integralen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

integraal v/m

  1. (wiskunde) limiet van de som van onbepaald afnemende termen
stellend
onverbogen integraal
verbogen integrale

Bijvoeglijk naamwoord

integraal

  1. voltallig, geheel: -grale publicatie (bw) (bn)
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen