instrueren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·stru·e·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| instrueren |
instrueerde |
geïnstrueerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
instrueren (overgankelijk)
- een vaardigheid onderwijzen
- (juridisch) (een zaak) voorbereiden