leren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: leren
Oudnederlands: lēren
Germaans: *laizijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: lere (Angelsaksisch: lǣran), Duits: lehren, (Oudhoogduits: lēren), Fries: leare, leere (Oudfries: lēra)
Noord: Zweeds: lära, Deens/Noors: lære, (Oudnoors: læra), IJslands/Faeröers: læra
Oost: Gotisch: laisjan
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen leren

Bijvoeglijk naamwoord

leren

  1. van leer vervaardigd
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leren
leerde
geleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

leren

  1. kennis of vaardigheid verwerven
  2. kennis of vaardigheid doen verwerven
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

leren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leer