haast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haast
enkelvoud meervoud
naamwoord haast -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

haast v/m

  1. de drang hebben om iets snel te doen
    Ik heb haast.
    Haast is wel geboden.
Vertalingen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Bijwoord

haast

  1. bijna
    Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen.
    Hij wist haast geen woord uit te brengen.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
haasten

haast

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich haasten
    Ik haast me.
  2. gebiedende wijs van zich haasten
    Haast je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich haasten
    Haast je je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen