haast
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- haast
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haast | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- de drang hebben om iets snel te doen
- Ik heb haast.
- Haast is wel geboden.
Vertalingen
1. de drang hebben om iets snel te doen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Bijwoord
haast
- bijna
- Dingen die lekker lang duren, lijken haast niet meer te mogen.
- Hij wist haast geen woord uit te brengen.
Synoniemen
Vertalingen
1. bijna
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| haasten |
haast