spoed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spoed
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spoed | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
spoed m
- de noodzaak tot het maken van haast
- Daar is spoed bij.
- (techniek) de afstand tussen twee punten van een schroefdraad die verschillen door één omwenteling
- Deze schroef heeft niet de juiste spoed en past dus niet.
- de afdeling in een ziekenhuis waar patiënten die snel hulp nodig hebben behandeld worden
- Hij werd onmiddellijk naar de spoed gebracht.
- Jaarlijks belanden 12.000 Nederlandse kinderen van 0 tot 14 jaar op de spoed na een ongeluk met een speeltoestel.[1]
Afgeleide begrippen
- [1] spoedbestelling, spoedig, spoedklus
- [3] spoedeisend, spoedgeval
Synoniemen
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| spoeden |
spoed
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
- Ik spoed.
- gebiedende wijs van spoeden
- Spoed!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoeden
- Spoed je?