haasten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haas·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haasten
haastte
gehaast
zwak -t volledig

Werkwoord

haasten

  1. (wederkerend) trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
    Hij haastte zich naar de deur.
Vertalingen