geschieden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χəˈsχidə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɣəˈsxidə(n)/
Woordafbreking
- ge·schie·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| geschieden |
geschiedde |
geschied |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
geschieden
- (ergatief) werkelijkheid worden
- Wat er ook geschiedt, we blijven bij elkaar.
- Dit deel van de Bijbel beschrijft de wonderen die geschiedden in deze dagen.
Opmerkingen
- Het werkwoord komt vrijwel alleen in de derde persoon enkel- en meervoud voor.