fok
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fok | fokken |
| verkleinwoord | fokje | fokjes |
Zelfstandig naamwoord
fok
- m; (scheepvaart) driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
- m; (scheepvaart) het onderste razeil aan de fokkemast van vierkantgetuigde schepen
- het fokken, de teelt van dieren (geen meervoud)
- bril
Verwante begrippen
- fokkeboom, fokkeleuver, fokkeloet, fokkemaat, fokkemast, fokkenist, fokkenmaat, fokkenmast, fokkenra, fokkenschoot, fokkenstag, fokkenwant, fokkeschoot, fokkeschootrail, fokkestag, fokkeval, fokkewant, fokstag, fokzeil
- fokdier, fokhengst, fokker, fokkerij, fokpaard, fokpremie, fokschaap, fokstation, fokster, fokstier, fokvee
- mast, ra, voorstag
Spreekwoorden
- de fok strijken, hijsen
- de fok laten zakken, omhoog halen
- de fok te loevert voeren
- bij voor de windse koers de fok aan de loefzijde voeren
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| fokken |
fok