fok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fok
enkelvoud meervoud
naamwoord fok fokken
verkleinwoord fokje fokjes

Zelfstandig naamwoord

fok

  1. m; (scheepvaart) driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
  2. m; (scheepvaart) het onderste razeil aan de fokkemast van vierkantgetuigde schepen
  3. het fokken, de teelt van dieren (geen meervoud)
  4. bril
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • de fok strijken, hijsen
  • de fok laten zakken, omhoog halen
  • de fok te loevert voeren
  • bij voor de windse koers de fok aan de loefzijde voeren
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
fokken

fok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fokken
    Ik fok.
  2. gebiedende wijs van fokken
    Fok!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fokken
    Fok je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen