erven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| erven | ervend |
| erf | geërfd |
| erfenis | erfelijk |
Uitspraak
Woordafbreking
- er·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| erven /'ʔɛr.və(n)/ |
erfde /'ʔɛrv.də/ |
geërfd /ɣə'ʔɛrft/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
erven
- (overgankelijk) de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
- Zij erfde een prachtig schilderij van haar oma.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
Zelfstandig naamwoord
erven mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord erf