erfdeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erf·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erfdeel erfdelen
verkleinwoord erfdeeltje erfdeeltjes

Zelfstandig naamwoord

erfdeel o

  1. dat deel van de erfenis dat aan één van de erfgenamen toekomt
    Zijn erfdeel bestond uit twee landgoederen en hun toebehoor.
Vertalingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord erfdeel erfdele

Zelfstandig naamwoord

erfdeel

  1. erfdeel
    «Alhoewel Ruben as eersgeborene twee en volgens sommige ontleders selfs drie erfdele moes ontvang, word dit hom ontneem.»
    Hoewel Ruben als eerstgeborene twee en volgens sommige deskundigen zelfs drie erfdelen had moeten ontvangen, werd hem dit ontnomen.