Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: e-mail (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈiːmɪːɫ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈiːmeːɫ/
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Engels, waar het een afkorting is van electronic mail.
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | - | |
| verkleinwoord | - | - |
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | e-mails | |
| verkleinwoord | e-mailtje | e-mailtjes |
Zelfstandig naamwoord
e-mail m
- (informatica) een systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
- (communicatie) een bericht dat verstuurd is via e-mail
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
2. een bericht dat verstuurd is via e-mail
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| e-mailen |
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van e-mailen
- Ik e-mail.
- gebiedende wijs van e-mailen
- E-mail!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van e-mailen
- E-mail je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.