deus

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Latijn

Woordherkomst en -opbouw

Van het Proto-Indo-Europese *deywós (“‘god/dat wat tot het hemelse behoort’”), een vrddhi-derivaat van *dyew- (“‘lucht, hemel’”), vandaar ook het Latijnse diēs, en het eerste deel van Iu-ppiter. Indo-Europese verwanten zijn het Sanskriet देव (devá) en het Oud-Pruisische deywis.

Uitspraak
  • IPA: /ˈdɛ.ʊs/

Zelfstandig naamwoord

deus m

  1. god, godheid;
  2. een epitheton voor vergoddelijkte keizers (cf. divus).
Verwante begrippen
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief deus deī, dī, diī
genitief deī deōrum, deum
datief deō dīs, deīs, diīs
accusatief deum deōs
vocatief deus deī, dī, diī
ablatief deō dīs, deīs, diīs


Portugees

Uitspraak
  • IPA: /ˈdɛ.ʊs/

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
deus deuses

deus m

  1. god, godheid.
Verwante begrippen


Galicisch

Zelfstandig naamwoord

deus m

  1. god, godheid


Waals

Telwoord (wln)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

deus

  1. twee
Persoonlijke instellingen