dader
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- da·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dader | daders |
| verkleinwoord | dadertje | dadertjes |
Zelfstandig naamwoord
dader m
- iemand die iets (slechts) gedaan heeft
- Vervolgens laat men wel even de dader naar het bureau komen om met hem te praten.