veroordeelde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- ver·oor·deel·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| veroordelen |
veroordeelde
- enkelvoud verleden tijd van veroordelen
- Ik veroordeelde.
- Jij veroordeelde.
- Hij, zij, het veroordeelde.
- Ik veroordeelde.