chi

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Italiaans

Uitspraak

Vragend voornaamwoord

chi

  1. wie
    «Chi ha mangiato il pane?»
    Wie heeft het brood opgegeten?

Betrekkelijk voornaamwoord

chi

  1. die
    «Ho trovato chi ti può aiutare.»
    Ik heb iemand gevonden die je kan helpen.