chauffeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chauf·feur
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse 'chauffeur' (stoker) (met het achtervoegsel -eur) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord chauffeur chauffeurs
verkleinwoord chauffeurtje chauffeurtjes

Zelfstandig naamwoord

chauffeur m

  1. de bestuurder van een motorvoertuig (ook (beroep))
    De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl