chauffeur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: chauffeur (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ʃo.ˈfʏːr/, /ʃʌʊ̯.ˈfʏːr/
- (Vlaanderen, Brabant): /ʃo.ˈføːr/
- (Limburg): /ʃaʊ̯.ˈføːr/
Woordafbreking
- chauf·feur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | chauffeur | chauffeurs |
| verkleinwoord | chauffeurtje | chauffeurtjes |
Zelfstandig naamwoord
chauffeur m
- de bestuurder van een motorvoertuig
- De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in.
Vertalingen
1. de bestuurder van een motorvoertuig
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.