bezoek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zoek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bezoek | bezoeken |
| verkleinwoord | bezoekje | bezoekjes |
Zelfstandig naamwoord
bezoek o
- het bezoeken.
- Zij gingen even een bezoek afleggen.
- de personen die op visite zijn of komen.
- Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
Vertalingen
2. de personen die op visite zijn of komen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.