bezoeker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord bezoeker bezoekers
verkleinwoord bezoekertje bezoekertjes

Zelfstandig naamwoord

bezoeker m

  1. een persoon die iemand of iets bezoekt
    De nieuwe website heeft gemiddeld 1400 bezoeker per maand.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen