guts

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • guts
enkelvoud meervoud
naamwoord guts gutsen
verkleinwoord gutsje gutsjes

Zelfstandig naamwoord

guts v/m

  1. (gereedschap) een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
    De kunstenaar bewerkte het houten beeld met zijn guts.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gutsen

guts

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
    Ik guts.
  2. gebiedende wijs van gutsen
    Guts!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
    Guts je?

Meer informatie