balans
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ba·lans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | balans | balansen |
| verkleinwoord | balansje | balansjes |
Zelfstandig naamwoord
- evenwicht.
- een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
- (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en schulden meestal aan het einde van een boekjaar
Synoniemen
- [2] weegschaal
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Uit balans zijn. Uit de normale ritme van handelen.
- De balans opmaken. Achteraf kijken hoe alles is voltrokken.
Vertalingen
1. evenwicht
2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
|
|
3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en schulden meestal aan het einde van een boekjaar