aangeschoten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·ge·scho·ten
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanschieten |
aangeschoten
- voltooid deelwoord van aanschieten
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | aangeschoten |
| verbogen |
Bijvoeglijk naamwoord
aangeschoten
- getroffen
- Tijdens de oorlog kwam er een keer een aangeschoten bommenwerper brandend overvliegen.
- een beetje dronken
- Hij fietste in aangeschoten toestand naar huis.
- (voetbal: hands) onopzettelijk
- Hij wist na het aangeschoten hands een doelpunt te maken.
Uitdrukkingen en gezegden
- aangeschoten wild